Chronologie van de Vervolging van Professor Jose Maria Sison door de Regeringen van de Filippijnen, de VS en van Nederland

Comité voor de verdediging van Filippijnse progressieve mensen in Europa
Comité DEFEND

Vertaald uit het Engels

Na de val van de fascistische dictatuur van Marcos in 1986 kwam Prof. Jose Maria Sison vrij uit militaire gevangenschap en werden de aanklachten van de staatsondermijning en rebellie tegen hem nietig verklaard. In 1988, 1991, 2003 en 2006 werd hij steeds weer op valse en politieke gronden aangeklaagd en even zo vaak in 1992, 1994 en 2007 van rechtsvervolging ontslagen omdat de aanklachten geen stand hielden. Waaruit tevens bleek dat het kwaadaardige falsificaties waren van het Filippijnse leger, de politie en de geheime diensten.

Maar de regeringen van de Filippijnen, de VS en Nederland grepen die ongegronde beschuldigingen gretig aan om Prof. Sison te vervolgen. De Nederlandse regering gebruikte de gefingeerde beschuldigingen van staatsondermijning en rebellie uit 1988 en van meervoudige moord uit 1991 om hem niet toe te laten als vluchteling en hem een verblijfsvergunning te weigeren. Zelfs de meest ongefundeerde propagandistische aanvallen vanaf Marcos tot 2006, die het overigens nooit tot formele aanklachten brachten, werden door de regeringen van de VS, Nederland en de Filippijnen gebruikt om hem als ‘terrorist’ te brandmerken. Zij gaan hiermee door terwijl zelfs het Filippijnse OM en de gerechtshoven daar de formele aanklachten en beschuldigingen afwijzen en nietig verklaren.

  1. Onder de fascistische dictatuur van Marcos zat Prof. Jose Maria Sison van 1977 tot 1986 gevangen. Hij is zwaar gemarteld, fysiek en mentaal. Hij onderging de waterkuur, werd geslagen, zat meer dan vijf jaar in eenzame opsluiting, leed honger en gebrek en kreeg geen medische of tandheelkundige zorg en werd herhaaldelijk met de dood bedreigd. Hij was zonder arrestatiebevel gearresteerd en door twee militaire commissies beschuldigd van staatsondermijning en rebellie. Zo liep hij de kans tweemaal voor hetzelfde te worden gestraft.
  2. Na de val van de Marcos dictatuur liet de regering Aquino Prof. Sison op 5 maart 1986 vrij uit militaire gevangenschap. De twee aanklachten wegens staatsondermijning en rebellie werden geannuleerd, omdat de militaire commissies als onderdrukkingsapparaten werden ontbonden. In april 1986 kreeg hij een aanstelling bij het Centrum voor Aziatische Studies van de Staats Universiteit van de Filippijnen. Vanaf september 1986 maakte hij een tour langs universiteiten in Oceanië, Azië en Europa met een serie lezingen en solidariteitstoespraken over de situatie in en de vooruitzichten voor de Filippijnen. De Filippijnse legertop was helemaal niet gelukkig met zijn lezingen en wilde dat de regering Aquino zijn Filippijnse paspoort in zou trekken. In september 1988 werd hij opnieuw aangeklaagd wegens staatsondermijning. Dat was genoeg om zijn paspoort in te trekken.
  3. Nadat zijn paspoort was ingetrokken, vroeg Prof. Sison in oktober 1988 politiek asiel aan in Nederland. In juli 1990 greep de Minister van Justitie de valse beschuldigingen door de Filippijnse regering aan, om hem asiel in Nederland te weigeren. Buitenlandse Zaken van de VS gaf openlijk toe dat de Filippijnse regering het asiel had weten te verhinderen. Maar de hoogste Administratieve Rechtbank in Nederland, de Raad van State annuleerde in 1992 de negatieve beslissing van de Nederlandse Minister van Justitie en erkende Prof. Sison als politiek vluchteling. De Raad van State bekritiseerde het ministerie wegens gebruik van geheime dossiers wat in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en omdat Sison meer dan vier jaar op asiel had moeten wachten.
  4. Ondanks de uitspraak van de Raad van State uit 1992 weigerde de Minister van Justitie Prof. Sison asiel te verlenen en hij negeerde ook het feit dat de Filippijnse regering in 1992 de Anti-Subversie-wet introk waardoor de aanklacht wegens staatsondermijning bij de rechtbank van de stad Pasig werd vernietigd. Ook was de minister doof voor de resolutie van de stedelijke aanklagers van Manilla van april 1994 waarin zij een aangifte wegens meervoudige moord ten gevolge van de bomaanslag op de Plaza Miranda in 1971 hadden afgedaan als gegrond op pure speculatie. De minister bleef de valse aanklachten tegen Prof. Sison gebruiken met als argument dat hem asiel verlenen niet in overeenstemming zou zijn met de verplichtingen en de geloofwaardigheid van de Nederlandse staat tegenover haar bondgenoten. Bovendien beweerde de minister op grond van geheime informatie dat Sison contact zou onderhouden met ‘terroristische’ organisaties. Dus van 1990 tot 1994 stond Sison al te boek als ‘terrorist’ bij de Nederlandse regering.
  5. In antwoord op Prof. Sisons nieuwe beroep in 1993 bevestigt de Raad van State in 1995 haar eerdere besluit dat hij een politiek vluchteling is volgens artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en dat hij valt onder artikel 3 van het Europese Verdrag van de Mensenrechten. De Raad bepaalde dat artikel 1F niet op hem van toepassing is wegens onvoldoende bewijs van misdaden die hem als vluchteling zouden diskwalificeren. De Raad gelaste de Nederlandse Minister van Justitie Sison te erkennen als vluchteling en hem een verblijfsvergunning te verlenen indien er geen ander land was waar hij heen kon zonder het Vluchtelingenverdrag te schenden en hij risico zou lopen op een slechte behandeling in strijd met artikel 3 van het Europese Verdrag van de Mensenrechten. De Minister van Justitie negeerde de uitspraak van de Raad van State echter en bleef hem de legale toegang als vluchteling en een verblijfsvergunning weigeren.
  6. Prof. Sison ging in 1996 bij het nieuwe Vreemdelingenhof in beroep tegen de weigering van de minister hem asiel te verlenen. Het hof droeg de Nederlandse regering op om een nieuw besluit te nemen. Uiteindelijk nam de Nederlandse regering voor de Rechtseenheidkamer (REK) het standpunt in, dat het de vrijheid van beleid had Prof. Sison de legale toegang als vluchteling en een verblijfsvergunning te ontzeggen, maar hem niet meer uit te zetten om niet in strijd te handelen met het zogenaamde ‘non refoulement’ principe uit artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Europese Verdrag van de Mensenrechten. De REK, voor personeel, financiering en faciliteiten afhankelijk van de Minister van Justitie, ondersteunt het standpunt van de minister. De REK vindt bovendien dat Prof. Sison zich moet verantwoorden voor de valse beschuldigingen van de Filippijnse regering en voor zijn ‘contacten met terroristische organisaties’ volgens dezelfde geheime gegevens waarvan de Raad van State in 1992 en 1995 al gezegd had, dat die niet gebruikt mochten worden als zijnde strijdig met goed bestuur. Daarmee ging REK in tegen het oordeel van de Raad van State, de jurisprudentie van het Europese Hof voor de mensenrechten in de zaak Chahal, het ontslag in 1992 en 1994 van alle aanklachten tegen prof. Sison in de Filippijnen en het totaal ontbreken van enige strafrechtelijke aanklacht tegen hem in het buitenland.
  7. In april 1998 verklaarde de Filippijnse Minister van Justitie officieel dat er geen strafrechtelijke procedures hangende waren tegen Prof. Sison en hij refereerde daarbij aan de nietigverklaring uit 1992 en de afwijzing uit 1993 van de aanklacht van staatsondermijning van 1988, alsook aan de afwijzing uit 1994 van de aanklacht uit 1991 aangaande meervoudige moord in verband met de bomaanslag op de Plaza Miranda. Van 1994 tot 2003 lieten Filippijnse regering, het leger en de politie Sison met rust en dienden ze geen aanklachten in. De Filippijnse legertop beperkte zich tot propagandistische aanvallen hoewel de Filippijnse regering al in november 2001 de VS hadden verzocht Prof. Sison als terrorist te bestempelen. Pas in 2003 werd aangifte gedaan bij het Ministerie van Justitie tegen Sison wegens de moord op Rodolfo Aquinaldo, kolonel bij de Inlichtingendienst. De Filippijnse advocaten van Prof. Sison slaagden erin de aanklacht van tafel te krijgen omdat die vals en politiek gemotiveerd was en omdat in het licht van het Filippijns- en Internationaal recht er geen jurisdictie bestond over Sison.
  8. Op 12 augustus 2002 brandmerkte de Amerikaanse regering Prof. Sison tot ‘terrorist’. De Nederlandse regering volgde binnen 24 uur op 13 augustus 2002 ondanks het compleet blanco strafblad van Prof. Sison, ondanks dat hem geen enkele daad van terrorisme kan worden aangewreven, ondanks dat er geen enkele strafzaak tegen hem loopt en ondanks de Hernandez-doctrine in de Filippijnse jurisprudentie met betrekking tot politieke misdaden en ondanks de afwezigheid van enige wet tegen het terrorisme in de Filippijnen. Doordat Prof. Sison door de VS en regeringen van andere landen op de terroristenlijst is gezet heeft hij het nu slechter dan een veroordeelde moordenaar. Hij mag niet werken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij krijgt geen enkele sociale uitkering, dus ook geen bijstandsuitkering, huursubsidie, zorgverzekering, WA-verzekering of AOW. Zijn bankrekening is bevroren. Hij kan geen royalties ontvangen over de publicaties van zijn boeken. Er wordt voor gezorgd dat hij de schadevergoeding niet ontvangt die hem toekomt doordat hij zijn mensenrechtenzaak tegen het Marcos regime heeft gewonnen. Zijn fundamentele rechten zijn geschonden, waaronder: het recht op noodzakelijke middelen voor een menswaardig bestaan; het recht als onschuldig te worden beschouwd, zolang schuld niet is bewezen; het recht op verdediging; het recht geïnformeerd te worden over de redenen voor het opleggen van de sancties; het recht op wettelijke bescherming; het recht op een privé- en een familieleven; het recht op bewegingsvrijheid; het recht gevrijwaard te zijn van laster en het recht van bescherming tegen bedreigingen van leven en reputatie.
  9. Om het de regeringen van de VS en de Filippijnen naar de zin te maken, bewoog de Nederlandse regering, met de openlijke lobby van de Filippijnse autoriteiten, de Raad van Europa ertoe om Prof. Sison op de terroristenlijst te zetten. Twee dagen na het besluit van de EU-Raad schrapte de Nederlandse regering Prof. Sison van haar eigen lijst, maar bleef zijn fundamentele rechten schenden en hem materieel en moreel beschadigen onder verwijzing naar de beslissing van de Raad van de EU. De Nederlandse en Britse regeringen zijn de belangrijkste partijen die de Raad van Europa steunen in de zaak die prof. Sison bij het Europese Hof van Eerste Aanleg in Luxemburg in februari 2003 tegen de Raad heeft aangespannen. De Nederlandse regering is de voornaamste bron van leugens over Sison aan het adres van het Hof. Zij beweert dat:Prof. Sison schuldig is aan ‘terrorisme’ (en niet aan rebellie volgens de Hernandez doctrine aangaande politieke misdaden binnen de Filippijnse jurisprudentie), dat hij zogenaamd voorzitter is van de Communistische Partij van de Filippijnen (CPP) en hoofd van het Nieuwe Volksleger (NPA New People’s Army) enProf. Sison naar het oordeel van de Nederlandse Raad van State uit 1992 en 1994 en van de REK uit 1997 in de asielzaak schuldig geacht wordt aan terrorisme. (in weerwil van het feit dat deze rechtbanken hem hebben erkend als politiek vluchteling volgens artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en hij valt onder Artikel 3 van het Europees Verdrag over de Mensenrechten).
  10. In 2005 voerden Arroyo en haar handlangers (uit het Comité voor Binnenlandse Veiligheid van het kabinet en de Anti-Terrorism Task Force) de valse beschuldigingen tegen Prof. Sison in de massamedia op. Ze zetten militaire officieren aan tot het doen van ongefundeerde aangiften van gewone misdaden (zoals moord, roof, ontvoering e.d.) in, met betrekking tot incidenten in verschillende delen van de Filippijnen, die aan het NPA worden toegeschreven. De lastercampagne was duidelijk bedoeld om de plaatsing van Prof. Sison op de terroristenlijst door buitenlandse regeringen kracht bij te zetten en ter rechtvaardiging van de stijging van extra-judiciële moorden, verdwijningen en martelingen van progressieve legale activisten. Het was ook bedoeld om Prof. Sison te koppelen aan een breed eenheidsfront van legale politieke krachten die leiding geven aan het volk om het Arroyo regime te verdrijven vanwege geknoei met de presidentsverkiezingen van 2004. De aanklachten tegen Prof. Sison culmineerden op 21 april 2006 in een groepsaanklacht wegens rebellie tegen hem en 50 anderen, waaronder ondergrondse revolutionaire leiders, progressieve congresleden en militaire officieren die tegen het Arroyo gemuit hadden. De zogenaamde feiten besloegen de hele periode vanaf de oprichting van de CPP op 26 december 1968 tot de aanklacht van 21 april 2006. Het negeerde de nietigverklaring van aanklachten en de amnestie afkondigingen van 1986 tot 1995.
  11. Op 23 april 2007 stuurde de Raad van Europa een brief van een A4 kantje naar Prof. Sison waarin zij de twee leugens van de Nederlandse regering herhaalde (zie punt 9). Op 22 mei liet hij de Raad weten dat dezelfde leugens al eerder door het Europese Hof van Eerste Aanleg zijn ontmaskerd en derhalve niet kunnen dienen als motivering van de Raad om hem op de terroristenlijst te zetten zoals het Hof van de Raad verlangt. Op 28 juni 2007 besloot de Raad op basis van dezelfde leugens Prof. Sison opnieuw op de terroristenlijst te plaatsen. Dit nieuwe raadsbesluit is duidelijk bedoeld om Sison steeds weer op de terroristenlijst te zetten, zijn fundamentele rechten te blijven schenden, hem materiële en morele schade toe te blijven brengen en iedere gunstige uitspraak van het Europese Hof van Eerste Aanleg in zijn zaak tegen de Raad van Europa te ondermijnen en te ontkrachten.
  12. Op 11 juli 2007 kwam het Europese Hof van Eerste Aanleg met haar oordeel. Daarmee werd het besluit van de Raad om hem op de terroristenlijst te zetten en zijn banktegoeden te bevriezen, nietig verklaard. De nietigverklaring vloeit voort uit de inbreuk van de Raad op Prof. Sisons recht op verdediging, het niet met redenen omkleden van zijn plaatsing op de terroristenlijst vanaf de tweede keer en de schending van zijn recht op juridische bescherming. Het hof eist niet van de Raad dat het de materiële en morele schade vergoedt die Prof. Sison heeft geleden en wijst er niet op dat het de Nederlandse regering is, die heeft aangedrongen op de beslissing van de Raad teneinde hem materiële en morele schade toe te brengen. Echter, het hof eist dat de Raad opdraait voor de kosten van de advocaten van Prof. Sison als aanklager en het NDF als bemiddelaar. Voorzover vastgesteld kan worden dat de Nederlandse regering Prof. Sison materiële en morele schade heeft toegebracht, kan hij juridische stappen ondernemen om daarvoor vergoeding te krijgen. Maar te verwachten is dat de Nederlandse regering alle juridische trucs zal aanwenden om haar aansprakelijkheid te ontlopen.
  13. Intussen heeft Prof. Sison in de Filippijnen een klinkende juridische overwinning behaald. Het Filippijnse Hooggerechtshof kwam op 2 juli 2007 met het vonnis dat de groepsaanklacht van rebellie en al het zogenaamde bewijs van 1968 tot 2006 tegen Prof. Sison en de 50 medeaangeklaagden nietig verklaart. Het zogenaamde bewijs mag niet meer tegen hem of één van de anderen individueel of gezamenlijk worden gebruikt bij enige nieuwe aanklacht. De Procureur generaal heeft openlijk toegegeven dat het door de staat verzamelde bewijs daarmee van generlei waarde is. Dit is de meest recente keer dat Prof. Sison gezuiverd is van een strafrechtelijke aanklacht. Eerder gebeurde dit in 1986, 1992, 1994 en 1998. Op dit moment staan de Filippijnse en buitenlandse regeringen met lege handen als zij hem aansprakelijk willen stellen voor enig strafrechtelijk feit of wat daar maar op lijkt. De Filippijnse regering kan tegen Prof. Sison alleen nog maar een aanklacht wegens rebellie na 21 april 2006 in elkaar flansen en wegens terrorisme na 15 juli 2007, de datum waarop de ‘ Human security Act’ van kracht werd. Deze wet ligt nu echter onder vuur van een breed scala van democratische krachten, mensenrechtenorganisaties en juridische experts in de Filippijnen en daarbuiten vanwege de aantoonbare ongrondwettelijkheid ervan.
  14. Prof. Sison heeft een belangrijke juridische overwinning behaald met de uitspraak van het Europese Hof van Eerste Aanleg op 11 juli 2007. Maar hij moet die nog verder zien te voltooien door het preventieve besluit van de Raad van 28 juni 2007 om hem op de terroristenlijst te houden aan te vechten en een nieuwe aanvraag tot nietigverklaring van dit besluit in te dienen. Hij moet zijn fundamentele rechten nog steeds verdedigen en compensatie eisen voor de materiële en morele schade die hem is toegebracht.We verwachten dat de regeringen van de Filippijnen, de VS en Nederland Prof. Jose Maria Sison zullen blijven vervolgen door gebruik te maken van hun politieke macht en de bestaande ‘antiterrorisme’ wetgeving en de besluiten die ze hebben gecreëerd om staatsterrorisme en agressieoorlogen goed te praten. We moeten de zowel politieke en juridische strijd van alle democratische krachten en volkeren in de wereld voor de fundamentele rechten van Prof. Sison en andere slachtoffers van de wereldwijde stroming van fascisering en agressieoorlogen, veroorzaakt door de imperialistische machten en hun reactionaire marionetten, verder opvoeren en voortzetten.

We moeten strijden voor de onmiddellijke beëindiging van de vervolging van progressieve leiders als Prof. Jose Maria Sison en tegen de onderdrukking van anti-imperialistische en democratische krachten en volken die vechten voor hun nationale bevrijding, meer vrijheid, sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en wereldvrede!!!

Voor meer informatie:

Ruth de Leon
Internationaal coördinator Internationaal Comité Defend
Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Tel.: 030 – 8895306
Website: www.Defendsison.be