EDSA en de Economie: 25 jaar later

De People Power opstand van 1986 schiep een moment van nationale eenheid en wereldwijde hoop op een begin van economische vooruitgang

door Sonny Africa
Hoofd Onderzoek van IBON

IBON Features - De vijfentwintigste verjaardag van de eerste “People Power” is aanleiding om eens te zien wat er sindsdien veranderd is. De People Power opstand werd gedreven door het verlangen naar politieke en economische democratie. Politiek werden de Filippino’s aangemoedigd om zich ook tegen Marcos te verzetten en zich aan te sluiten bij de al jaren durende volhardende strijd van Filippijnse activisten. Economisch werden de mensen er zich van bewust, dat slechts een kleine binnen- en buitenlandse elite zich in weelde baadde in een zee van werkloosheid en wijdverspreide armoede.

Echter, ondanks de schijn is er in die 25 jaar nauwelijks vooruitgang geboekt richting democratie.

In vijfentwintig jaar zou er toch een begin gemaakt moeten zijn met het doen opleven van de economie. De People Power opstand van 1986 schiep een moment van nationale eenheid en wereldwijde hoop op een begin van economische vooruitgang.

Met echte landbouwhervormingen zou onmiddellijk begonnen moeten zijn, terwijl de grootgrondbezitters nog in hun schulp zaten weggekropen voor de woede van de massale volksbeweging. Dan zou het agrarisch potentieel van het land zijn vrijgekomen, er door de boeren geld te verdienen zijn geweest en de armoede van het platteland weggevaagd. Er had begonnen moeten zijn met een industrialisatieprogramma, dat de bestaande binnenlandse industrie zou hebben moeten uitbouwen en nieuwe sleutel- en strategische industrieën had moeten oprichten. De buitenlandse schulden van het Marcos regiem hadden moeten worden afgewezen en de daardoor ontstane middelen hadden moeten worden aangewend voor onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting en infrastructuur.

Een progressief nationalistische politiek zou binnen 10 tot 15 jaar na 1986 een solide basis hebben moeten kunnen leggen voor de binnenlandse economie. Maar in plaats daarvan wierpen de vijf regeringen na Marcos zich in de armen van de neoliberalen met hun globalisering van de vrije markt politiek door liberalisering van de handel en investeringen, privatisering van overheidsbedrijven, en het dereguleren van wet- en regelgeving. Economische groei, buitenlandse investeringen en export werden doel op zich, in plaats van instrumenten voor economische ontwikkeling. Winst en commercie werden boven alles verheven, terwijl de staat geen aandacht had voor werkelijke maatschappelijke en economische ontwikkelingen.

De groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van 7,2% in 2010 en de gemiddelde groei van 4,5% gedurende de Arroyo regering van 2001–2009 is duidelijk groter dan de gemiddelde groei van 3,9% in de periode 1986–1991 onder de regering Aquino. De directe buitenlandse investeringen (DBI) zijn aanmerkelijk gestegen van 2 miljard dollar in 1986 tot 23,6 miljard in 2009 (resp. 6,7% en 14,5% van het BBP). De waarde van de export, uitgedrukt in percentages van het BBP, steeg van 16,2% in 1986 tot gemiddeld 46,1% in de periode 2000–2009.

Toch steeg de werkeloosheid, bleef de ongelijkheid pijnlijk schrijnen en groeide het aantal mensen dat leefde in armoede vanwege de economische neergang. De werkloosheid steeg, volgens schattingen van IBON, van 10,6% in de periode 1981–1986, voorafgaand aan de People Power opstand, tot 11% in de periode 2005–2010. In 1986 waren er 2,6 miljoen Filippino’s werkloos, in 2010 waren dat er 4,4 miljoen.

De ongelijkheid blijft zeer schrijnend. In 1985 streken de 20% rijkste gezinnen 52,1% van het totale gezinsinkomen op en bleef er voor de overige 80% van de gezinnen slechts 47,9% over om te verdelen. Dat is de laatste 25 jaar nauwelijks veranderd, want in 2009 was de verhouding 51,9% : 48,1%. In 2009 was het inkomen van de 25 rijkste families 21,4 miljard dollar en dat van de 11,1 miljoen armste gezinnen slechts 21,56 miljard dollar, ofwel 5,30 dollar per gezin per dag.

Het is wat moeilijk om het aantal armen in de verschillende perioden met elkaar te vergelijken, omdat de manier waarop armoede wordt ingeschat twee keer is veranderd. De regering telde in 1985 26,7 miljoen en in 2000 30,9 miljoen armen. Het aantal armen in 2000 werd via een statistische aanpassing terug gebracht tot 25,5 miljoen. In 2009 was er wederom een statistische aanpassing waarmee het aantal armen in dat jaar van 28,5 miljoen werd terug gebracht naar 23,1 miljoen. Hoe dan ook, in 2009 moesten zes van de tien Filippino’s zien rond te komen van 1,7 dollar of minder per dag.

Na de uitbarsting van optimisme in 1986 ten aanzien van veranderingen volgden decennia van gemiste kansen. In 2010, na de negen jaar van het Arroyo regiem, volgde net zo’n uitbarsting van optimisme als in 1986. Maar we moeten wel leren uit de geschiedenis en niet weer net als in het verleden de kansen voorbij laten gaan. Het optimisme is nu gebaseerd op het toenemend aantal Filippino’s die dag in dag uit bouwen aan People’s Power en niet zozeer op momenten van revolte, maar op de dagelijkse en georganiseerde strijd voor echte maatschappelijke veranderingen.

IBON Foundation Inc. is an independent development institution established in 1978 that provides research, education, publications, information work and advocacy support on socioeconomic issues.

Bron: http://www.ibon.org/ibon_features.php?id=134