De Filippijnse Verdwenen Dissidenten

door Peter Ritter / Manilla

 Op 28 april 2007 zat Jonas Burgos, een 37-jarige Filippijnse politieke activist, te lunchen in Ever Gotesco, een winkelcentrum in Manilla. Om ca. 13:20 uur kwamen er vier mannen bij zijn tafeltje staan. Zij stonden ongeveer 20 minuten rustig met Burgos te praten. Toen begonnen de mannen hem naar de uitgang van het centrum te duwen. “Ik ben alleen maar een activist,” hoorde een serveerster Burgos roepen. Iemand van de bewaking van het winkelcentrum kwam dichterbij. Zoals de bewaker later zou getuigen, waarschuwden de mannen hem, dat zij van de politie waren. Zij dreven Burgos naar buiten en duwden hem een kastanjebruine Toyota in. Toen de auto in het verkeer verdween, kon de bewaker nog net het kentekennummer noteren.

De familie van Burgos maakte zich onmiddellijk grote zorgen toen hij die avond niet op een familiefeestje verscheen. Zijn moeder, Edita, probeerde hem op zijn mobieltje te bellen, maar toen hij opnam, klonk hij versuft, alsof hij was gedrogeerd. Toen ze hem later nog eens probeerde te bellen, was zijn telefoon uit. Twee dagen later riep Edita een persconferentie bijeen om hulp te krijgen bij het zoeken naar haar zoon. Er kwamen wat tips binnen. Een tipgever, die zei dat hij een voormalig officier van de militaire inlichtingendienst was, zei dat Jonas Burgos was opgepakt door het Filippijnse leger. “Ik kon niet meer slapen,” herinnert Edita Burgos zich. “Ik stelde me allerlei horror scenario’s voor.”

Het zijn gevaarlijke tijden voor Filippijnse activisten. Een politie-eenheid, belast met het onderzoek naar politieke moorden, meldde dat er sinds 2001 toen president Gloria Macapagal Arroyo aan de macht kwam, 141 activisten zijn vermoord. Op een enkeling na zijn al deze gevallen onopgelost gebleven. Karapatan, een Filippijnse mensenrechtenorganisatie noemt een veel bloediger aantal: 902 vermoorde vakbondsleiders, journalisten, priesters en boerenleiders. Daarbij zijn tientallen activisten verdwenen. In juni 2006, bijna tien maanden voordat Jonas Burgos werd ontvoerd, werden twee jonge vrouwelijke medewerkers van de Filippijnse Universiteit in Bulacan onder bedreiging van een vuurwapen ontvoerd.

De Filippijnse overheid heeft toegezegd om de mensenrechtensituatie te verbeteren. Maar toch blijft het grootste deel van deze ontvoeringen onopgelost, gedwarsboomd door koppigheid van de militairen of stommiteit van de politie. In een rapport van maart door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken werd melding gemaakt, dat de "gerechtelijke inactiviteit wat betreft de meerderheid van de verdwijningen heeft bijgedragen aan een klimaat van straffeloosheid en het vertrouwen in het rechtssysteem heeft ondermijnd." Tijdens een geruchtmakend half jaar durend onderzoek van het Hof van Beroep van de Filippijnen gaven getuigen en militair personeel verleidelijke inkijkjes in de duisternis die de schaamteloze ontvoering van Jonas Burgos omhult. Maar toch, toen vorige week de uitspraak kwam, was Edita Burgos nog geen stap dichter bij de waarheid over haar zoon gekomen, wie hem meenam en waarom. Maar dat zal niemand verrassen. Zoals de zaak van Jonas Burgos aantoont, verwachten de families van de verdwenen mensen meestal geen troost of rechtvaardigheid in Filippijnse rechtszalen te vinden.

Spiraal van geweld

De ervaring had Edita Burgos geleerd om het ergste te vrezen. Tijdens de militaire dictatuur van Ferdinand Marcos had haar man Jose een populaire verzetskrant opgezet. De kantoren van het blad werden regelmatig overvallen en Jose Burgos moest twee jaar onderduiken. Jonas en zijn broers en zussen waren sterk beïnvloed door de linkse politiek van hun ouders en namen vaak foto’s of maakten verslagen van bijeenkomsten voor hun vader. Het gezin was ook zeer Katholiek. Nadat haar man in 2003 overleed, werd Edita Burgos een karmelieter lekennon. Jonas heeft even overwogen om priester te worden, maar inplaats daarvan ging hij landbouw studeren en specialiseerde zich in organische landbouw. Nadat de familie was verhuisd van Manilla naar een boerderij in de Bulacan provincie, paste Jonas zich volledig aan het plattelandsleven aan. “Hij kleedde zich als een boer,” zegt Edita. “Hij was net als zij in zijn manier van doen en laten, daardoor kreeg hij contact met hen. Hij had een goede verstandhouding met de mensen.”

In Bulacan ging Burgos werken met een boeren activistengroep. Hij trainde de boeren in organische technieken en gaf politieke lessen. De overheid beschuldigde de groep ervan te sympathiseren met het Nieuwe Volksleger (NPA), een communistische rebellenbeweging die al meer dan dertig jaar in het verarmde achterland opereert. Maar de leider van de boerengroep, Joseph Canlas, zei dat noch hij, noch Burgos, noch iemand van de groep ook maar iets te maken hadden met de rebellen. Burgos had zeker sterke linkse sympathieën. Toch kan zelfs zijn familie niet met zekerheid zeggen of hij alleen maar een meeloper was of een actief NPA aanhanger. Volgens zijn moeder verdween hij af en toe gedurende enkele weken de bergen in. Hij zou haar verteld hebben, dat hij boeren ging bezoeken in achteraf dorpen; zij verdacht hem ervan dat hij rebellen ontmoette in hun veldschans.

De Filippijnse politie en het leger hebben lange tijd de schuld van de moorden en ontvoeringen toegeschreven aan interne zuiveringen binnen de communistische rebellenbeweging. De NPA heeft een geschiedenis van gewelddadige onderlinge strijd: in 2003 werd een voormalig rebellenleider neergeschoten toen hij in een restaurant in Manilla zat te eten. Maar internationale en Filippijnse mensenrechtenwaakhonden beweren, dat het leger verantwoordelijk is voor veel van de moorden en verdwijningen. Volgens Ruth Cervantes, woordvoerster van Karapatan, bereikte het geweld in 2006 een hoogtepunt, toen de overheid een nieuwe aanval op het NPA deed. In een vernietigend rapport in 2007 schreef Philip Alston, speciaal rapporteur voor de VN, dat het militaire apparaat “in een staat van ontkenning verkeert, waar het gaat om de talrijke buitengerechtelijke executies waarbij zijn soldaten zijn betrokken.” Vorig jaar bood de VS voor de eerste maal een deel van zijn militaire hulp op het Filippijnse vasteland aan om de mensenrechten in het land te verbeteren. De internationale afkeuring was een bron van verlegenheid voor de regering van Arroyo die al wankelde door beschuldigingen van geknoei met stemmen en corruptie. En de overheid heeft maatregelen getroffen om de moorden terdege te vervolgen, zoals de deelname aan een nationale top in juli over buitengerechtelijke executies en gedwongen verdwijningen. Tijdens die top kondigde het Hooggerechtshof een nieuw middel aan voor slachtoffers van overheidsgeweld. De ‘writ of amparo’ (Spaans: bescherming), overgenomen en aangepast vanuit Latijns-Amerikaanse rechtssystemen, verbiedt in theorie elke ontkenning van de overheid als het gaat om militairen die worden verdacht van het ontvoeren van activisten. Tot dusver is deze nieuwe wet een voorlopig succes, volgens Neri Colmenares, een mensenrechtenadvocaat, die meer dan tien families van ontvoerde activisten heeft vertegenwoordigd. In één geval, waar het ging om twee landbouwers die beweerden, dat zij 18 maanden lang werden vastgehouden op diverse legerbases en werden gemarteld – zoals het ranselen met prikkeldraad en baden in eigen urine - ging het Filippijnse Hof van Beroep ermee akkoord dat het leger schuldig was, en dat militaire onderzoekers gefaald hadden en onvoldoende hun klacht hadden onderzocht. Maar veel andere gevallen waarin militairen verdacht worden van betrokkenheid in verdwijningen, hebben niets opgeleverd.

Doodlopend onderzoek

De ontvoering van Burgos haalde de krantenkoppen in de Filippijnen, deels door de bekendheid van zijn familie tijdens de Marcos-periode. Arroyo zelf belde Edita Burgos op, om haar te verzekeren dat de politie het geval grondig zou onderzoeken. Maar al vanaf het begin leek het onderzoek te sputteren. Een week na de ontvoering vertelde de politie aan de moeder van Burgos dat zij een lijk gevonden hadden dat op Jonas leek. De man was met een touw gebonden, gewurgd, tweemaal in de schedel geschoten en op een eenzame plek in de berm van een landweg gedumpt. Edita Burgos hield vol, dat dit niet haar zoon was. Als deel van het onderzoek, vond de politie ook het nummerbord van de Toyota die door de ontvoerders was gebruikt. Zij ontdekten dat het kenteken oorspronkelijk had toebehoord aan een voertuig in Bulacan. In juli 2006 had de eigenaar van dat voertuig het onrechtmatig geregistreerd, en het voertuig werd toen in beslag genomen door het 56ste Bataljon van de Infanterie, dat in Bulacan is gestationeerd. Onderzoek naar een tweede auto die door de ontvoerders zou zijn gebruikt, leidde naar een hoofdofficier. Sindsdien stond de in beslag genomen auto – met het nummerbord - op een legerbasis. Het nummerbord leek te wijzen op betrokkenheid van militairen in de ontvoering van Burgos. "Dit is essentiële informatie die de militairen met de zaak verbindt," zegt Purificacion C. Valera Quisumbing, voorzitter van de Filippijnse Commissie voor de Mensenrechten ten tijde van de ontvoering. "Wij zeggen niet, dat zij de ontvoering deden. Wij zeggen alleen dat er een wezenlijk verband is.”

Het leger deed een eigen intern onderzoek naar de kentekenplaat. Het rapport ordonneerde weliswaar om drie ambtenaren van het bataljon een terechtwijzing te geven omdat zij het nummerbord uit het oog waren verloren, maar het bevatte geen verklaring voor hoe het nummerbord op de auto, die voor Burgos’ ontvoering werd gebruikt, terecht was gekomen - anders dan te suggereren dat iemand die de militairen in discrediet wil brengen, de basis kon zijn binnen gedrongen en het zou hebben gestolen. In juli kondigde een hooggeplaatste officier van justitie aan, dat hij in verband met de ontvoering van Burgos zes legerofficieren wilde ondervragen. Hij werd onmiddellijk verwijderd van de zaak. De hogere legerofficieren hebben hun eigen verklaring voor de ontvoering gegeven. In een brief aan de mensenrechtencommissie, suggereerde generaal Hermogenes Esperon, die op het tijdstip van de ontvoering hoofd van de Strijdkrachten van de Filippijnen (AFP) was, dat Jonas Burgos eigenlijk een belangrijke rebel was, die opereerde onder de oorlogsnaam Ka Ramon. In augustus 2007, vier maanden nadat Burgos verdween, kwam de politie met drie nieuwe getuigen: vroegere NPA rebellen, die zeiden, dat zij de kidnapping van Burgos hadden gezien. De ex-rebellen beweerden, dat Burgos lid was van de NPA en door zijn eigen kameraden te pakken was genomen tijdens een ruzie om geld.

Generaal Esperon, die vorige maand met pensioen ging, wees herhaaldelijk verzoeken om een ondervraging af. Een militaire woordvoerder, Luitenant Kolonel Bartolome Bacarro zei, dat het leger niet betrokken was. “Wij als organisatie ontkennen categorisch elke betrokkenheid in de ontvoering van Mr Jonas Burgos,” zei Bacarro. “Het zou kunnen zijn, dat enkele AFP-leden betrokken waren bij deze zaak. Als dat zo is, dan moeten zij vervolgd worden. Maar het is geen politiek van de AFP om zich bezig te houden met dit soort acties.” Bacarro zei ook, niet te geloven dat de militairen Burgos hebben verhoord tijdens zijn ontvoering. Maar een vertrouwelijk militair memo van mei 2007 plaatst Burgos in de “order of battle” van het leger – een lijst van NPA rebellen, die moeten worden gearresteerd of geëlimineerd. Achter de naam van Burgos staat het woordje: “geneutraliseerd”. Het memo draagt de naam van de hoofdofficier van de inlichtingendienst van het 56ste Infanterie Bataljon, maar is niet ondertekend. Bacarro wil de authenticiteit van het document niet bevestigen. “Het is deel van een onderzoek, dus wij laten het over aan het hof om de authenticiteit te bevestigen,” zegt hij.

Tot dusver hebben de Filippijnse hoven nog weinig licht geworpen op de duistere omstandigheden rondom Burgos’ ontvoering. Als onderdeel van een amparo aanklacht die door Edita Burgos was ingediend, heeft een aantal militaire officieren getuigd; allen hebben elke militaire betrokkenheid in de ontvoering ontkend. Burgos blijft benadrukken, dat het militaire apparaat achter de verdwijning van haar zoon zit. Als hij nog in leven is, moet hij bevrijd worden, als hij dood is, wil zij weten waar zijn lichaam is verbrand.

Afgelopen maart vierde de familie van Jonas zijn zogenaamde 38ste verjaardag in het karmelietenklooster waar Edita Burgos werkt. Toen zij op de zonnige binnenplaats van het klooster achter een onaangeroerd stuk chocoladecake zat, kwam er een stoet van diepbedroefde, middelbare vrouwen bij haar langs. Het waren moeders van andere activisten die verdwenen waren. Toen de vrouwen weer weg waren, zei Burgos: “Dit gaat niet alleen om Jonas. Zij vermoorden de toekomstige leiders van ons land. Als je deze mensen doodt, wie blijft er dan nog over?” #